Wat staat daar, waterstaat

Kent u dat mopje? Er vaart een boot van Waterstaat voorbij. Men vraagt een buitenlandse toerist: “Weet jij wat daar staat?” En deze zegt: ”Wat er staat.”

Als trainer en adviseur krijg ik vaak bedrijfsstukken binnen die ik moet lezen ter voorbereiding van een training of adviesaanvraag. Deze stukken bevatten vaak afkortingen, bedrijfstaal en woorden voor hoogopgeleiden of specialisten. Op mijn vraag of dit ook de stukken zijn die men in de organisatie verspreidt om hun medewerkers in te lichten, krijg ik vaak een bevestigend antwoord.

Gaat men er dan vanuit dat iedereen die de stukken  leest, deze stukken ook kán lezen en vervolgens ook kan begrijpen? Of vindt men, dat je maar om uitleg moet vragen, als je ze niet begrijpt? En als je de stukken niet leest, dat je dan waarschijnlijk geen interesse hebt.

In januari dit jaar heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, in samenwerking met vele bedrijven, het Taalakkoord ondertekend. In Nederland kennen we zo’n 1,3 miljoen laaggeletterden. Het Taalakkoord richt zich op deze doelgroep, de laaggeletterden of de minder taalvaardige medewerkers. Het is de bedoeling om deze doelgroep beter in beeld te krijgen en ze te ondersteunen met een breed scala aan scholing / training om hun niveau omhoog te krijgen. Logisch, want het verbeteren van het lezen en begrijpen van schriftelijke communicatie verhoogt de binding met de organisatie, verlaagt de risico’s op ongevallen (lezen van voorschriften) en bevordert de duurzame inzetbaarheid.

Maar het is best lastig om deze mensen te vinden, hen aan te spreken op hun taalvaardigheid en hen te stimuleren om er iets mee te gaan doen. Ik kan me voorstellen, zo lees ik ook her en der, dat mensen zich hier vaak voor schamen. Nu is er een Taalmeter ontwikkeld, www.taalmeter.nl, om erachter te komen welk niveau iemand heeft. Maar goed dan moet je eerst weten wie hiervoor in aanmerking komen. De mensen, die het betreft, zijn vaak meesters in het verbloemen van hun gebrek aan leesvaardigheid.

Volgens mij kan een OR hier zeker een belangrijke steen aan  bijdragen. Ik kan me namelijk voorstellen dat voor een werknemer de drempel hoog is om zijn handicap kenbaar te maken aan een leidinggevende of directeur. En dat deze drempel wat lager ligt bij een collega OR-lid. De angst dat uitkomt dat men laaggeletterd is met baanverlies als gevolg kan hierbij meespelen. Een gezamenlijk optreden van de OR en directie kan deze angst omzetten in een uitdaging of prikkeling om er werkelijk iets mee te gaan doen.

Er is ook een andere kant aan deze medaille: Kijk eens kritisch naar de schriftelijke informatie die er in uw bedrijf rondwaart. Bekijk samen met uw bestuurder hoe de nieuwsbrieven, de personeelshandleidingen en de memo’s zijn opgesteld. Hoeveel afkortingen worden hierin gebruikt en zijn deze voor iedereen wel zo logisch? Hoe helder en duidelijk is het geschreven voor medewerkers waarvoor dit geen dagelijkse kost is?

U kunt tijdens een advies- of instemmingsaanvraag aandacht besteden aan de wijze waarop de schriftelijke communicatie moet verlopen. Zijn er alternatieven te bedenken voor grote lappen tekst? Kunt u deze teksten vertalen in een helder schema of meer afbeeldingen toevoegen om de informatie te verduidelijken? Er zijn namelijk vele creatieve mogelijkheden. De vraag is of u er aandacht aan wilt besteden.

Vele bedrijven en het ministerie van OCW, VWS en SZW, aldus het schrijven op de website van het ministerie, vinden dit onderwerp belangrijk. Vreemd is wel dat men er vanuit gaat dat een ieder weet waar deze afkortingen voor staan. Ook in het bijgevoegd document “Tel mee met Taal”, ter uitleg en motivering van het Taalakkoord, staan deze afkortingen zonder uitleg. Het vraagt echt bewustwording en aandacht om op een andere manier te schrijven, gericht op de doelgroep en het doel dat u wilt bereiken.

Voor de helderheid, het betreft het ministerie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het ministerie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en dat voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW).

doen