OR, Maak gebruik van uw bevoegdheden!

Het kabinet onderschrijft de visie dat de huidige wet voldoende basis biedt voor de medezeggenschap. En het kabinet ziet ook dat er punten voor verbetering zijn.

Aldus de brief die minister Piet-Hein Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in december 2009 publiceerde. Revolutionair of zelfs bevlogen was deze visie van de minster allerminst te noemen. Hierin leek de minister op het eerste gezicht in sterke mate af te wijken van zijn voorganger Aart-Jan de Geus die nog in 2005 de medezeggenschap op een hele andere leest wilde schoeien: convenantachtige afspraken als maatwerk was de basis van zijn voornemen de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) te vervangen door de Wet Medezeggenschap Werknemers (WMW). Tevergeefs, naar later bleek. Want een Kamermeerderheid hiervoor was niet te vinden.

 

Het gaat goed!

“De WOR behoeft geen vervanging of ingrijpende wijziging”, zo vervolgde de minister zijn brief. Met de medezeggenschap ging het eigenlijk wel goed! In deze opvatting werd minister Donner niet alleen ondersteund door een rapport van Pieter van Beurden, Hans van Ees en Rienk Goodijk 1), maar ook door het zogenaamde Nalevingsonderzoek (Regioplan). Daaruit bleek in 2008 dat maar liefst 62 % van de respondenten tevreden tot zeer tevreden was over de invloed van ondernemingsraden in de besluitvorming binnen de bedrijven. In zijn brief vervolgde de minister: “Het kabinet is ervan overtuigd dat de medezeggenschap in Nederland een grote toegevoegde waarde heeft en – zowel individueel als op bedrijfsniveau als voor onze economie in zijn geheel – een positieve invloed heeft. De medezeggenschap is volwassen en de mensen die hun tijd geven aan de medezeggenschap als OR-lid of ondersteunend bij de medezeggenschap zijn betrokken, hebben een grote verantwoordelijkheidszin.” Kortom: wat de minister betreft kreeg medezeggenschap het beste vorm “in het veld” als de OR ook echt gebruik ging maken van zijn bevoegdheden. Een visie die recentelijk nog gedeeld werd door minister Henk Kamp, zoals blijkt uit zijn brief van 6 juni 2012 aan de Tweede Kamer over de ideeën de instellingsgrens voor OR-en te wijzigen. De teneur van zowel de Donnerbrief (december 2009) en de Kampbrief (juni 2012) luidt dat OR-en voldoende mogelijkheden hebben om medezeggenschap uit te oefenen.  Maar doet de OR dit wel voldoende? Hierover zijn de meningen verdeeld 2).

 

Waarom de brieven?

Als we beide ministers mogen geloven, is er eigenlijk dus niets aan de hand. Laten we de zaken maar zoals ze zijn, zo lijken zij te willen zeggen. Maar kennelijk bestond er bij beiden een noodzaak om een aantal zaken op een rijtje te zetten – elk vanuit hun actuele situatie. Wie goed tussen de regels doorleest, komt erachter dat de minister Donner daadwerkelijk “iets” met die WOR wilde. Geen andere wet (wat zijn voorganger wel wilde), maar een “oprekken” ervan binnen de bestaande regels die – qua intentie – nog niet eens zoveel van de doelstelling van oud-minister De Geus leek af te wijken. Het lijkt erop dat minister Donner hier een piketpaaltje heeft willen slaan, die door zijn opvolger enkel en alleen werd bevestigd.

 

Alvorens op dit laatste punt uit te diepen, is het handig om vanuit een historisch perspectief eerst een paar punten uit de brief van minister Donner door te lopen. Historisch perspectief, omdat minister Kamp in zijn korte schrijven van 6 juni 2012 deze lijn lijkt door te trekken:

  • Aantrekkelijk hierbij is het voorstel van de minister om de verkiezingsprocedure (artikel 9) te vereenvoudigen: geen afzonderlijke trajecten voor vakbondslijsten en vrije lijsten, maar de mogelijkheid deze tegelijkertijd te laten indienen. De minster hoopt op deze manier OR-en tegemoet te komen in hun streven vacatures sneller vervuld te krijgen. Minister Kamp was het er op zich niet mee oneens, maar door onenigheid binnen de SER heeft hij dit onderwerp verder laten rusten. Met als gevolg dat op dit punt weinig tot niets veranderde.
  • Het opnemen van een bepaling die de OR verplicht vast te leggen hoe de dialoog met de achterban aan te gaan. Minster Donner wilde dat tot een algemene bepaling maken; hoe de OR dat doet mag hij zelf reglementair bepalen. Als de OR het maar doet, want de minster was van mening dat dit de contacten met de achterban alleen maar verder ten goede zou komen.
  • Verruiming van de bepalingen van artikel 15 om ook deskundige niet-OR leden op te nemen in commissies zal de medezeggenschap en de betrokkenheid van de werknemers bij de OR alleen maar ten goede komen (professionalisering).
  • Het bevorderen van de “algemene gang van zaken in de onderneming” zoals dat in artikel 24 is afgesproken wilde de minister een extra impuls geven. Ook minister Kamp onderschrijft in zijn brief van 6 juni 2012 het belang van dit element van de brief van zijn voorganger: “Deze minimumnormen (red. hij noemt ook hierin het scholingsrecht van OR-en en de plicht van bedrijven om vanaf 50 medewerkers een OR te hebben) geven invulling aan de Europese richtlijn (2002/14) die ondernemers…..verplicht tot “informatie en consultatie” “, zo stelt hij.

 

Afzien van bevoegdheden

De crux van de brief van minister Donner zat ‘m in het stimuleren van het gebruik van de ondernemingsovereenkomsten. Daar was en is geen nieuwe, andere wet voor nodig, maar een ruimere toepassing van artikel 32 van de WOR (de zogenaamde “schriftelijke overeenkomst”). En wettelijk gesproken biedt artikel 32 hiertoe inderdaad de nodige mogelijkheden en kansen.

Maar nu komt het. In de brief stelde de minister namelijk dat het kabinet de mogelijkheden wil onderzoeken hoe in de WOR vastgelegd kan worden dat een OR ad hoc kan afzien van zijn advies- en instemmingbevoegdheid over specifiek genomen besluiten, waarbij hij – later – niet naar de Ondernemingskamer kan stappen om het recht waarvan is afgezien alsnog te gaan claimen. “Niet doen!”, zo stelden de bonden kort samengevat. “Lang niet alle ondernemingsraden zijn goed opgeleid en stevig in het overleg”. De vraag is wie hier nu gelijk in zal krijgen, laat zich nu lastig beantwoorden, mede gelet de huidige situatie waarbinnen de grootste vakcentrale zich nu bevindt

 

Ondernemingsovereenkomsten

En precies die laatste vraag zal in de nabije toekomst nadere invulling krijgen als ook de nieuwe regering op de door de toenmalige minister ingeslagen weg zal doorgaan. Want als in dit verband de ondernemingsovereenkomst leidraad voor de verdere inrichting van de medezeggenschap gaat vormen, waar hebben we het dan precies over? Wie hebben er baat bij? In hun bijdragen over deze discussie zijn Marcella Vantoll 3) en Paul van der Heijden 4) het wel met elkaar eens: werkgevers en werknemers hebben er baat bij. Niet alleen vanwege de gemaakte afspraken waarvoor beiden getekend hebben, maar ook over het feit dat een ondernemingsovereenkomst partijen dwingt na te denken over de vraag wat te doen bij geschillen. Vooral Paul van der Heijden ziet dat als een pluspunt 4)

 

Arbeidsvoorwaarden: doorwerking

Maar in de uitwerking ervan betoont Paul van der Heijden zich optimistischer dan Marcella Vantoll. Lijkt hij meer te kijken naar het praktische nut van invulling van medezeggenschap als maatwerk, Vantoll ziet toch wel de nodige beren op de weg bij ondernemingsovereenkomsten. Met name bij die overeenkomsten waarin inhoudelijke arbeidsvoorwaardelijke afspraken zijn gemaakt. OR-en en werkgevers zijn dan gebonden aan de afspraken die beiden hierin hebben gemaakt, afdwingbaar is zij niet (“doorwerking”). Individuele arbeidsovereenkomsten hoeven hier namelijk niet onder te vallen. En zelfs als een werkgever “zwaarwegend bedrijfsbelang” als argument opvoert om wijzigingen hierin door te voeren, zal een rechter toch de toets maken of dit met, bijvoorbeeld, CAO-afspraken strijdig is of niet. Dat maakt de status van de gemaakte afspraken tussen OR en werkgevers onduidelijk. Ter vergelijking: in Duitsland werkt de ondernemingsovereenkomst wel dwingend door in de individuele arbeidsovereenkomsten.

 

Kansen voor werkgevers- en werknemers

Het aardige aan de brieven van de ministers Donner (2009) en Kamp (2012) was en is dat er kansen kunnen ontstaan bij het stimuleren in het gebruik van ondernemingsovereenkomsten. OR-en kunnen er hun invloed mee vergroten, bijvoorbeeld door afspraken te maken over het aangeven van vroegtijdige bezwaren onder leden en achterban; afspraken over het tijdstip van beïnvloeding in de zin van de WOR (het concreet invullen van het begrip “tijdig en volledig” zoals de WOR dat in artikel 25, lid 2 verwoordt) of de wijze waarop draagvlak en haalbaarheid gepland kan worden.

Daarnaast liggen er kansen voor de OR om afspraken te maken en vast te leggen waarin hij rechten en bevoegdheden vooraf kan afspreken die zijn wettelijke bevoegdheden overstijgen, bijvoorbeeld over thema’s die onder de klassieke rechten (initiatief-, advies-, instemming-, benoemings-, informatierecht en bevorderende taken) vallen.

 

Conclusie

Al met al biedt de ondernemingsovereenkomst OR-en kansen om de medezeggenschap verder te ontwikkelen. Maar nadelen zijn er echter ook te bedenken: een ondernemingsovereenkomst kan als een keurslijf worden ervaren. Immers, het gaat in overlegland niet zo lekker, dus wordt het in vastgelegde afspraken afgetimmerd. Als het nodig is: doen. En OR-en moeten zeker de weg weten naar de mogelijkheden die artikel 32 van de WOR hen biedt. Maar het is raadzaam van te voren goed een beeld te hebben van wat in een ondernemingsovereenkomst geregeld moet gaan worden. De weg naar een goed overleg vooraf moet namelijk ook open blijven. Aandacht voor de “algemene gang van zaken” zoals artikel 24 WOR dat formuleert is daarbij van even groot belang. Hoewel beperkt naar mogelijkheden is dit artikel zeker geen dode letter, zeker als men kijkt naar de consequenties voor wat betreft het adviesrecht. Het feit dat minister Donner in 2009 in zijn brief op het belang hiervan wees (en daarin bevestigt lijkt te worden door de brief van zijn opvolger Kamp in juni 2012), is geen toeval.

Misschien is er een pleidooi te houden om de discussie over de  “algemene gang van zaken”  en de ondernemingsovereenkomsten gelijk aan elkaar te laten oplopen. Niet vanuit een sfeer van wantrouwen over-en-weer, maar juist vanuit het wederzijdse commitment waar Paul van der Heijden en Wim Schul 4) op wijzen.

Wellicht ga ik nog wel verder met de vraag of dit commitment zich moet beperken tot Bestuurder en OR. Waarom niet te denken aan raden van commissarissen, stichtingsbesturen, raden van toezicht of zelfs aandeelhoudersvergaderingen als betrokken partijen binnen bedrijven en instellingen? Als het gaat om meerwaarde van de medezeggenschap in de zin van complementariteit zoals recentelijk in het proefschrift van Jan Ekke Wigboldus 5) is benoemd valt hier veel voor medezeggenschap en het bedrijfsleven te halen.

Waar beide ministers op uitkomen is dat een kwalitatieve goede medezeggenschap van toegevoegde waarde is voor de arbeidsverhoudingen binnen de Nederlandse bedrijven. Zoals minister Kamp het in zijn brief zegt: “Het belang van medezeggenschap is immers in de afgelopen decennia breed onderkend….De “opbrengsten” liggen primair in de immateriële sfeer: in de onderlinge verstandhoudingen, duidelijkheid over de afspraken en rust in de arbeidsorganisatie.” 6). Niet alleen in goede economische tijden, maar vooral juist in deze moeilijke tijden. Het belang dat beide ministers aan goede medezeggenschap hechten voor de goede onderlinge samenhang in bedrijven en de bijdragen aan de economie spreekt hierbij boekdelen. Doorpakken dus. Ook nu. En misschien wel: juist nu.

 

Literatuur

1)Pieter van Beurden/Hans van Ees/Rienk Goodijk: Gebruik, niet-gebruik of onderbenutting? Onderzoek naar de mogelijke onderbenutting van bevoegdheden en mogelijkheden door de (Centrale) Ondernemingsraad in grote Nederlandse ondernemingen (opdracht Ministerie SZW, augustus 2009)

2)Marcella Vantoll: Onduidelijke status ondernemingsovereenkomsten (Zeggenschap, juni 2009, pagina 44/45)

3)Paul van der Heijden: Convenant nog te weinig gebruikt (OR Informatie, april 2010)

4)Wim Schul: OR en ondernemingsovereenkomsten (OR & Medezeggenschap/OR Dossier maart 2010)

5)Jan Ekke Wigboldus: Bron van meerwaarde (Van Gorcum 2011)

6)Brief van minister Henk Kamp 33 000 XV Nr. 74 d.d. 6 juni 2012

 

 

 

Brief - Blog - Merlijn Groep

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *